Marike op den Akker

Datum

Dit bericht is op 04 Dec 2011 geplaatst.

Bij het ontwaken, kort verhaal

Hij laat haar stilletjes het bed uitglijden. Pas als zij de slaapkamerdeur met een zachte klik achter zich dicht trekt, draait hij zich met zijn gezicht naar de bruine muur. Hij ziet de bloedvlek van een doodgeslagen mug. Hij haat muggen, hoe ze haar van haar slaap beroven, hoe ze gulzig haar bloed tot zich nemen. En dat alles waar hij hulpeloos naast ligt. Laatst hield hij het niet meer, er welde zo’n enorme jaloezie in hem op, dat hij haar niet eens aan kon kijken. Na afloop had hij haar triomfantelijk de handdoek laten zien, met daarop de bloedvlek van het gore insect. Bloedzuiger. Ze begon toen stilletjes te huilen, maar vast niet om het leven van die mug.

Hij knijpt zijn ogen dicht tegen het felle ochtendlicht licht dat door de witte gordijnen komt. De warmte van haar lichaam gloeit nog na onder het donzen dekbed. Als warme kippetjes hebben ze de hele nacht tegen elkaar aan gelegen. De ochtenden zijn steeds opnieuw een kwelling, als zij haar warme lichaam voorzichtig, om hem niet wakker te maken losmaakt van het zijne. Alsof ze met een vlijmscherp mesje een randje vlees van zijn hart afsnijdt. Daarna slaat ze het dekbed altijd weer behoedzaam terug over zijn stinklijf. Alsof ze een kind toedekt. Alsof hij haar kind is. Denkt ze soms dat hij haar kind is? Hij krijgt kippenvel als het katoen weer op hem neerdaalt neerdaalt en de huid van zijn arm raakt. Hij hoort haar rommelen in de badkamer, ze laat iets op de vloer vallen. Metalig geluid op de betonnen vloer. Haar familiering misschien, of een armband. Allebei familiestukken uit een ver verleden. Uit een bestaan dat zich afspeelde voordat hij haar leerde kennen. De geur van fris doucheschuim nevelt de slaapkamer binnen, hij steekt snel zijn ongewassen kop onder het dekbed. Hij knijpt zijn neus dicht, niet gaan huilen nu.

Zij sluipt op haar blote voeten de kamer in, haar voetzolen zijn nog vochtig, ze plakken bij elke stap aan het oude zeil. Ze pakt haar kleren van de stoel. Alles hangt netjes over de leuning. Het witte bloesje, de doorzichtige beha en de nieuwe pantykousjes. Het blauwe mantelpakje erboven op een hangertje. Torent boven de andere kleren uit als een koningin boven het voetvolk. Ze moet alleen nog een oude onderbroek uit de la pakken, want ze is net ongesteld geworden. Gisteravond heeft ze alles zorgvuldig klaargelegd. Vroeger, toen ze nog op de lagere school zat  en als het dan de eerste dag van het nieuwe schooljaar was, legde ze ook altijd haar kleren zo klaar. Met bijpassende onderbroek en hemdje. Vlak voor ze ging slapen, als het nog net licht genoeg was om te geloven dat het altijd zomer bleef.  Ze steekt haar voet in één van de pantykousjes. Bruine pantykousjes, wie had ooit gedacht dat zij nog vóór haar veertigste bruine pantykousjes zou dragen. Dat was iets voor ongetrouwde tantes en moeilijk lopende vrouwen uit het oude dorp. Pantypoesjes, noemt ze ze zelf, die onooglijke bruine slurfjes. Een soort huisdieren. Daar moeten ze samen steeds weer om lachen. Ze schiet haast weer hardop in de lach als ze denkt aan laatst. Zij had het ene kousje als een sokpop om haar hand en hij het andere om zijn grote eeltige hand. Er schoot meteen een ladder in. De pantypoesjes vochten met elkaar tot hij in de strijd bovenop haar was gaan liggen en ze helemaal slap werd van het lachen. Ze gaf zich over.…Niet lachen nu. Ze moet echt heel stil zijn om hem niet wakker te maken. Ze verdraagt zijn blik in de ochtend niet.

Als ze niet oppast blijven zijn ochtendogen haar de hele dag volgen. De trap af, het portiek in, de straat uit, de bus in. In de lift, door de gangen, met een beetje geluk vergissen ze zich en schieten voor haar uit de hek om. Maar ze komen altijd weer even intens vragend bij haar terug. Bijvoorbeeld als ze net koffie staat te drinken bij de automaat. Ze legt het zijden slipje met de zwarte stipjes terug in de la. Die moet nog even wachten tot het bloeden weer voorbij is. Ze probeert geen enkel geluid te maken als ze de la openschuift en weer dicht. Alles om hem niet te storen. ‘Slaap maar, slaap jij maar’ als een smekende mantra in haar hoofd.

Hij probeert weer in slaap te vallen, maar de gedachten krassen door zijn kop als eksters.  Haar warmte is nu echt verdwenen en heeft plaats gemaakt voor het kille besef van zijn eigen lichaam. Koud heeft hij het, hij trekt het dekbed hoger op, maar dan komen zijn voeten er aan de onderkant uit. IJskoude voeten. Geritsel in het halletje, ze kan zich vliegensvlug aankleden die vrouw. En geen knoopje slaat ze over, altijd perfect verzorgd als ze de deur uit gaat, tot in de puntjes van haar bruine haren. Hij kan er maar niet aan wennen dat ze ’s morgens met haar kleren telkens weer een muur voor hem optrekt. Dat is het plaatje waar de anderen naar mogen kijken, zij mogen er overdag aan ruiken, ertegen praten. Zij mogen er zacht gefluisterde vunzigheden tegen uitspreken. Haar smalle kuiten in die afstotelijke bruine pantykousjes, haar haren in een wrong. Haar bruine ogen glanzen als filmsterrenogen onder het subtiele laagje glinsterende oogschaduw. Klikklak doen haar hakken in de keuken, ze zet het eenpersoonspotje met een klap op het fornuis. Voor een eenpersoons kopje koffie en ze doopt straks vast haar croissantje erin, als een echte Française. Ze is geen Française, maar de eerste keer dat hij haar zag, was dat wat hij dacht. En die gedachte is als waarheid in zijn hoofd blijven plakken, als een post-it op een willekeurig computerscherm.

Hij was een lang weekend  in Parijs met zijn vrouw. Ze kwamen net uit de Opera toen hij haar op haar hoge hakken en met een strakke kokerrok aan over het trottoir zag struinen. Luid bellend. En op dat moment was het alsof hij bevroor en smolt tegelijk, een uitermate pijnlijke sensatie die hij alleen op ochtenden als deze nog weleens ervaart. Een sensatie die aangeeft dat zijn leven hier, nu zomaar zou kunnen ophouden.  ‘Typisch zo’n Franse, arrogant tot in haar veels te dure panty’s’, riep zijn vrouw hem over haar schouder toe, terwijl ze haar in het voorbijgaan ongegeneerd van top tot teen opnam. Hij schaamde zich altijd kapot als zij in het openbaar andere mensen bekritiseerde. Met haar veel te luide schelle stem. Toen hij zelf de vrouw passeerde, hoorde hij haar iets in het Nederlands zeggen. En vlak daarna schaterde ze van het lachen om iets wat de ander zei. Aan de ander kant van de lijn. Het doodenge gevoel van bevriezen en ontdooien deed zijn hart haast stil staan. Hij kon maar aan één ding denken. Dat hij die ander wilde zijn, aan die andere kant van de lijn. Dat hij demonstratief nonchalant tegen een brugleuning aan wilde hangen. Met bruine suède schoenen aan zijn oh zo nonchalante voeten, dat hij grappen zou maken waar zij om moest schateren. Haar croissantje in de koffie. Zelf vindt hij het smerig, zo’n zompige hap nat brood. Maar soms als hij haar het broodje zo naar binnen ziet slurpen, doet zij hem denken aan Brigitte Bardot of liever nog Audrey Hepburn in die film over dat meisje. Iets met breakfast. En dan stelt hij zich voor dat ze samen in Parijs wonen, waar mannen onbetaalbare schoenen dragen alsof het eenvoudige slippers zijn en vrouwen hun opgestoken haar al schaterend in hun nek gooien. Het bed is nu echt koud, het lijkt wel of zijn eigen lichaam zonder haar geen warmte meer af kan geven. Zou ze echt denken dat hij gewoon doorslaapt?

Ze loopt naar de woonkamer en pakt de dure leren schoudertas van de bank. Ze checkt of alles erin zit. Agenda: check,  portemonnee: check, sleutels….Plotseling hoort ze iets schuiven. Ze spitst haar oren. Wat is dat voor geluid? Komt het uit de slaapkamer? Ze loopt op haar tenen terug naar het halletje, staat stil, houdt haar adem in. Stilte, geen geluid vanachter de slaapkamerdeur of zou hij ook zijn adem inhouden? Nee, niks. Alleen het krassende geluid van een ekster dat vanuit de achtertuinen door het openstaande raampje via de keuken de huiskamer binnendringt.

Hij trekt de zijkanten van het kussen dicht tegen zijn oren, het geluid van haar hakken op de houten vloer echoot met geweld zijn oren in. Hij trekt het kussen nog verder zijn oorschelpen in, maar het heeft geen zin, de sleutels rinkelen in haar hand en klinken dwars door het donzen kussen heen, ze loopt naar de voordeur, draait de knop om, trekt de deur open en laat hem met een ferme klap weer in het slot vallen. Die schiet tot zijn grote ergernis altijd weer uit haar hand. Bam!

Ze slaat verschrikt haar hand voor haar mond en raakt met haar andere hand de deur aan om het geluid alsnog te bezweren. De deur schoot weer uit haar hand. En ze had hem nog zo beloofd de deurknop voortaan stevig vast te houden. Maar die deur is ook zo zwaar. En met haar handtas in de ene en haar sleutels in de andere hand, verliest ze steeds weer grip op het metaal. Ze loopt de trap van het portiek af.  Als ze de stoep op stapt merkt ze dat het zachtjes regent, zo’n frisse vroege herfstregen. Maar ze is niet bang voor een buitje, vroeger fietste ze elke dag wel tien kilometer door de weilanden van huis naar school naar huis. Nee hoor, heerlijk. Eindelijk kan ze weer even diep in-en uitademen.

Stilte. Zijn voeten zijn ijskoud, zijn oren suizen en zijn ogen willen niet meer stilliggen in hun kassen. Half acht, ze zal net de straat uit zijn. Ze zal diep en luidricuchtig in-en uitademen. Dat doet ze altijd als ze in de buitenlucht loopt. Ook als ze samen eens gaan wandelen, op de hei of over het strand. Je snuift weer als een Fries paard, zegt hij dan en daar moeten ze samen om lachen. Maar niet zo hard dat ze haar gewoonte aanpast. Dat niet. Tot overmaat van ramp hoort hij een mug om zijn kop heen zoemen. Hoe is dat mogelijk? Het is net herfst en het is ochtend, hallohoo! Maar het is warm voor de tijd van het jaar. En vochtig, precies de goede omstandigheden voor die eitjes om in de dakgoten in grote getale uit te komen. Klerebeesten. Hij trekt het dekbed over zijn hoofd. Maar daar komen zijn voeten weer onder het dekbed uit. Hoofd, voeten, hoofd, voeten, gek wordt hij ervan.

Als ze de drukke ringweg is overgestoken, stapt ze voorzichtig over een grote plas heen het bushokje in. Ze heeft helemaal niet gemerkt dat het vannacht zo regende. Ze heeft heel diep geslapen, want toen de wekker ging had ze het idee dat ze nog maar net een paar minuten in bed lag. Ze is de enige die staat te wachten, misschien heeft ze de bus net gemist. Als ze op het schema wil kijken, ziet ze dat het door iemand van de paal is gerukt. Alleen de tekening met daarop de route van de bus is nog leesbaar: Graantuinen, Kerkje, Poort der Hybriden, Luizenhof, Ziekenhuis, Eindpunt. Ze kijkt op haar horloge en ziet dat het al haast half acht is. Hoe kan dat nou, ze is op precies dezelfde tijd opgestaan, en op precies dezelfde tijd vertrokken als anders. Misschien net dat ene moment, toen ze uit bed wilde schuiven lag hij zo zwaar op haar dat ze bijna geen adem kreeg en om hem niet wakker te maken, probeerde ze zich zo klein en plat mogelijk te maken om op die manier ongemerkt onder zijn zware lichaam uit te kunnen schuiven. Maar hij gaf maar niet mee, ze stikte haast, maar peinsde er niet over om hem wakker te maken, zijn blik in de ochtend is zeker op werkdagen als deze, onverdraaglijk. Die paar minuten worstelen en nu heeft ze dus de bus gemist.

Ze zal nu wel in de bus zitten. Aan het raam, haar tas op schoot. Haar vingers plukken aan het handvat, ze is er met haar gedachten niet bij. Bij wie is ze met haar gedachten? Bij hem? Nee, vast niet bij hem. Bij de Anderen. Wie zijn er vandaag, wat zijn haar afspraken, hoe heette ook alweer die nieuwe stagiaire?

Ze wipt van haar ene voet op de andere, klikklak klikklak galmt het in het bushokje. De auto’s razen voorbij, de banden maken een sissend geluid op het natgeregende asfalt. Het maakt haar onrustig, schiet op met die bus, straks komt ze nog te laat. Ze komt nooit te laat. Ze loopt weer naar de paal, kijkt op het afgescheurde briefje, echt geen tijden meer te zien. Klerejongens. Wat is er nou voor lol aan om zo’n briefje van een paal te scheuren? Ze stapt weer terug in het hokje. Waarom moest hij nou zo nodig bovenop haar gaan liggen, ze wist toch dat ze een belangrijke afspraak had vandaag. Een promotie misschien, naar Amerika misschien. Voor ze het weet staat ze weer bij de paal, weer bij dat verdomde briefje, ze kijkt op haar horloge, twintig voor acht! Hoe is het mogelijk dat er nog geen bus is langs gekomen. Het is toch spitsuur? Om acht uur heeft ze een business call uit New York, dat is al over twintig minuten! Ze moet bellen dat ze het niet haalt, maar hoe zal dat wel niet overkomen bij die Amerikanen, die zijn zo zakelijk, zo stipt zo twentyfour seven. Ze graait in haar tas om haar telefoon te pakken, sleutels, agenda, maar waar is haar telefoon? Voorvakje, jaszakken, nog een keer de bodem van haar tas, gruis van pepermuntjes, papieren zakdoek in een prop, maar geen telefoon. Ze begint langzaam in paniek te raken. Hoe is dat nou mogelijk? Geen telefoon? Ze heeft toch alles zoals altijd hardop gecheckt: check agenda, check portemonnee, check sleutels!En toen dat vreemde geluid uit de slaapkamer: ineens weet ze het weer: gisteravond, toen hij al naast haar lag te slapen, heeft ze nog even een sms aan haar collega gestuurd over deze call. Wat ongelooflijk stom.

Hij reikt met zijn hand boven de dekens naar het nachtkastje. Voelt naar het reiswekkertje, maar zijn hand stuit op een ander koud apparaat. Met een ruk trekt hij het dekbed van zijn kop: haar telefoon! Hij moet hardop lachen, dit keer heeft hij haar te pakken. Ze heeft haar wereld per ongeluk in de zijne laten liggen. Hij ontsluit het beginscherm en gaat naar haar berichten. Daar zitten ze, de berichten van al die Anderen, ze bukken en houden hun adem in onder het knopje inbox. Zijn duim aarzelt, zou ze kunnen zien dat hij aan haar telefoon heeft gezeten? Misschien heeft haar telefoon wel een alarmfunctie, één of andere applicatie die vertelt dat je telefoon bewogen is door een vreemde hand. Zijn hand een vreemde hand, het moet niet gekker worden! Hij legt de telefoon op zijn buik. Zou ze al doorhebben dat ze hem vergeten is, dit verlengstuk van de wereld van de Anderen? Ligt nu bij hem op schoot, bij hem in bed, rust op zijn naakte onderbuik, vlak boven zijn schaamhaar.  Plotseling begint er iets helders te dagen in zijn slaperige kop: ze wil hem iets vertellen. Dat is het! Ze heeft haar telefoon daar expres neergelegd, zodat hij eindelijk zou weten wat er mis was. Waar het fout was gegaan, wat hij verkeerd heeft gedaan. Ze wil hem ontzien, hem letterlijk niet in de ogen kijken en dit is haar oplossing, haar uitbraak, haar vrijheidspoging. Hoe simpel en doeltreffend: haar telefoon op het nachtkastje, op nog geen zestig centimeter van zijn in de steek gelaten lichaam.

Het begint harder te regenen, tien voor acht en nog geen bus te zien, in de verste verte niet. Alleen auto’s, rode auto’s, auto’s met vreemde nummerborden, vrachtwagens beladen met nog meer auto’s met nog meer nummerborden. Ze proberen haar natuurlijk te bellen en dan wordt hij wakker, dan maken ze hem wakker met haar ringtone. Dan zal hij uit zijn diepe slaap gerukt worden doordat zij zo stom geweest is om haar telefoon te vergeten. Hij zal slaperig klinken, zij zullen kwaad worden, hij zal tegensputteren, zij zullen ophangen. Weg baan, weg carrière, weg Amerika. Plotseling knalt er iets tegen de ruit van het bushokje, ze schrikt zich rot. Beng! En nog een klap, ze springt een eind weg. Net op tijd want weer een klap, alsof iemand op het raam schiet met een pistool. BENG! Met een knal springt het raam van het bushokje kapot in duizend stukjes gewapend glas, hoe is het mogelijk? Ze springt net op tijd het bushokje uit. Dan een ferme tik tegen haar hoofd, auw, ze verlamt haast van schrik, ik ben dood, denkt ze, iemand schiet mij dood! Ze bukt en schuilt achter het metalen bankje.

Hij staart naar het beeldschermpje. Geen foto van hem, van hen. Hij hoort hier niet, dit is zijn wereld niet. Wel een foto uit de voorgeprogrammeerde galerij: een foto van een tropisch strand. Een tropisch strand! Zij zijn nog nooit op een tropisch strand geweest, samen. Hij wist het niet, dat ze verlangde naar een afgelegen tropisch strand…Zij wel, de Anderen, haar collega’s, zij zien haar verlangend met haar duim over de foto strijken als ze weer eens wat voor hen op moet zoeken, een bestandje, een berichtje, een gezichtje. Zij wel. Op de foto met het spierwitte zand, het turkooizen water en de gestreepte strandstoelen loopt in de verte een vrouw, het is Audrey Hepburn, ze loopt op blote voeten over het hete zand en draagt een grote strandhoed. Zijn Audrey, alleen op een subtropisch strand, ver van hem vandaan…hij pakt de telefoon en smijt hem tegen de bruine muur, klets in één keer stuk, het ruitje gebroken, de scherven op zijn plek van het bed, in de koude kuil die zijn lichaam heeft achtergelaten.

Het is een vogel, een ekster lijkt het wel, met zijn rode snavel vliegt hij weer het bushokje in, dom beest! Hij vliegt vlak langs haar gezicht, ze verliest haar evenwicht en valt op de grond. Ze houdt haar handen voor haar ogen om ze te beschermen. BENG! Weer tegen de ruit en nog een keer, het lijkt wel alsof hij zich expres met volle vaart tegen het glas werpt. ‘Hou op! schreeuwt ze tegen de vogel, ‘hou daarmee op, dom beest!’ Hij vliegt weer weg en ze probeert zo snel ze kan tot staan te komen, maar daar is hij alweer. Ze schreeuwt het uit, ze wil hem wegjagen, probeert hem met dwingende handen het bushokje uit te jagen, terug de vrijheid in. Het helpt niet, hij blijft steeds maar nieuwe kamikazepogingen doen. Ze zwaait met haar handtas om hem af te schrikken, maar raakt per ongeluk met een ferme zwaai zijn vleugel, de vogel valt op de grond. Ze loopt wankelend het bushokje uit en zwaait naar de voorbijrijdende auto’s: STOP! STOP! De auto’s zien haar niet, ze rijden door met hun sissende banden. Plotseling hapt de vogel met zijn scherpe snavel in haar opgestoken hand, hij is blijkbaar weer opgevlogen. Er druppelt bloed in de plas voor het bushokje, de ekster neemt een nieuwe duikvlucht terwijl hij angstaanjagend krijst, ze schreeuwt en duikt de weg op. Remmen piepen, toeters claxonneren, auto’s botsen. Ze hebben haar niet op tijd gezien, ze dronken koffie achter hun stuur, de buitenwereld, de wereld van de Anderen verwrongen achter het natte glas.

Hij stapt met moeite uit hun bed en loopt in zijn blootje en met wankele benen naar de keuken. Er ligt een briefje in de fruitmand met daarop zijn naam in haar handschrift. Het is zorgvuldig  dubbelgevouwen. Hij pakt het op en vouwt het open. Maar hij kan niet lezen wat er staat. Zijn ogen lopen plotseling vol en de letters nemen vreemde vormen aan. Het briefje wordt nat en de letters druppen met zijn tranen één voor één mee de gootsteen in. Je t’aime mon amour. Ik hou alleen van jou.

FIN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Comments are closed.

Recente berichten