Marike op den Akker

Datum

Dit bericht is op 20 Dec 2012 geplaatst.

Verhaal Merlot

‘Ik ben Merlot. Ik ben Merlot. Ik ben Merlot’.

Sinds de gebeurtenissen van afgelopen november kost het Merlot steeds meer moeite zich te verhullen onder haar dure pruik van echt weesmeisjeshaar. Zittend voor haar met bladgoud bedekte kaptafel ziet ze zichzelf driemaal weerspiegeld. Ze herhaalt haar eigen naam totdat ze zichzelf voor de dag van vandaag opnieuw overtuigd heeft van haar recht hier op aarde aanwezig te mogen zijn, in dit paleis, op deze stoel met het wankele pootje. Om bevelen aan het personeel te mogen geven, om te knielen voor God, om te mogen ademen als ieder ander mens. Ze herhaalt haar naam als was het een weesgegroetje, om de stemmen in haar hoofd uit te bannen. De stemmen die haar vooral in de ochtenden, als Merlot op haar meest kwetsbaar is, aanvallen. Ze zeggen: ‘Je bent het niet waard te leven als een vrouw van stand, jij bent een monster, een onaanschouwelijk wezen, jij.’

Ze bestudeert zichzelf in de spiegel met de drie luiken, buigt tot diep bij het koude glas en probeert te zien wat anderen zien als zij hen voorbij loopt of naast hen staat op weer zo’n ‘grande soirée’.  Ze veegt met haar mouw de beslagen plek ter hoogte van haar mond schoon en ziet zichzelf van beide kanten, zo ziet ze zichzelf het liefst: compleet en onzichtbaar voor de blikken van de buitenwereld, ‘les gens curieux’. Ze bekijkt haar blauwe ogen van dichtbij, de fijne rimpeltjes bij de ooghoeken, de irissen die blijkbaar wel weten wat ze willen, de intensiteit van hun blauwe kleur boezemt haar angst in. Ze volgt met afschuw de gebogen brug van haar neus, de neusvleugels die trillen als die van konijnen, bekijkt de veel te smalle lippen. Ze buigt zich nog dieper naar voren en bestudeert de grove huid van haar wangen, nu nog niet bedolven onder de dikke laag wit poeder. Dan bevoelt ze met haar vingertoppen de gladde, kale huid van haar hoofd, daar waar haar huid nog glad is als de huid van een baby. Ze zucht heel diep en sluit haar ogen terwijl ze de naaktheid van haar hoofdhuid streelt. Dan doemt plots het beeld van haar man op achter haar oogleden, die soepstengel met hondenhaar erop. Ze ziet weer voor zich hoe hij vanmorgen in zijn overdreven modieuze en veel te strakke broek op zijn paard probeerde te stappen, een heuse ballenbroek zou ze willen zeggen.

Maar alles wat je denkt mag niet gezegd worden en alles wat je zegt is niet wat je werkelijk denkt. Een eenvoudige leefregel voor de mensen om haar heen, zo schijnt het Merlot toe tenminste. Als jong meisje had ze gedacht dat zij zo’n leven niet hoefde te leiden, dat ze voorbestemd was een werkelijk vrij mens te zijn.

 

Ze grinnikt zachtjes bij het beeld van hem in die belachelijke broek en de vier bedienden die uiteindelijk nodig waren hem op het paard te hijsen, omdat zijn broek zo strak zat dat hij met geen mogelijkheid zijn been over het zadel kreeg gezwaaid!

 J’aime mon amour, oui oui oui coucou mon chéri en als je je nietsvermoedend omdraait steek ik mijn super verfijnde zilveren dolkje schuin onder je linker schouderblad. Bloedend laat ik je achter op de marmeren vloer en ik gil nog harder dan alle geschrokken bedienden bij elkaar.  Wat zouden de feestgangers voortaan fluisteren achter hun waaiers en hun met initialen geborduurde zakdoekjes? Dat zij haar man natuurlijk nooit zou vermoorden, zoiets zou zij toch nooit kunnen, zo’n bescheiden vrouw en zulk een prachtig echtpaar. Dat zij op zijn geld uit was, zou het vervolgens door de balzalen gonzen. Zo’n aardige vrouw, ja maar ook wel heel erg nuffig, arrogant kun je wel zeggen, moet je haar zien staan, zo in dat hoekje, alsof ze bang is dat wij haar zullen besmetten met onze boerse manieren. Zouden ze zien hoe haar brede voeten knellen in de smalle vrouwenpumps van goudbrokaat tijdens de eindeloos durende soirées? Je zou haast denken dat ze die muiltjes uit het verre China importeerden, sinds de wet daar het inbinden van vrouwenvoeten verboden heeft.

Ze wrijft met haar hand over de pijnlijke laag eelt op haar grote voeten, het is alsof ze door de aanraking een elektrische schok krijgt en de pijn rukt Merlot uit haar dagdroom, ze opent haar ogen, duwt met een ferm gebaar de poederkwast in de schaal en stuift het poeder in een dikke laag over haar hele gezicht. Dan rukt ze ongeduldig de pruik van het daartoe bestemde poppen-kopje van porselein en trekt deze vervolgens met geroutineerde precisie over haar hoofd en slapen. Drukt hem zorgvuldig met een druppeltje lijm tegen haar jukbeenderen aan, om de gedoemde wangen goed te bedekken. Ze tipt met het topje van haar wijsvinger lippenkleur van karmijnzuur op haar kleine mondje: en wég moi, Merlot’, het meisje met het aangeboren geheim, dat in haar box al droomde van vrijheid, ‘liberté:’ welkom Madame de la Weebrinque, weledele echtgenote van Monsieur de la Baume le Blanc, afstammeling van een huichelachtig geslacht van ijdele dweilen. Ze voelt werktuigelijk even onder haar rokken, zinloos natuurlijk, alsof haar geslacht zich van het ene op het andere moment zou kunnen keren, als ze helder denkt weet ze dat het een belachelijke gedachte is, een zinloos gebaar. Maar toch, het is in al die jaren een reflex geworden, vlak voor ze de paleisgangen betreedt en de veilige cocon van haar boudoir verlaat.

 

Op een mooie novemberdag, afgelopen najaar, bezochten zij en haar man en wat visiterende familieleden de jaarlijkse kermis op de Champs Elysées. Ze zagen daar in elke tent die ze betraden de meest bijzondere figuren de revue passeren. Ze genoten van het gekronkel van de slangenman, openden hun monden bij de erotische dans van de Siamese tweeling en lachten zich achter hun waaiers een kriek om de lilliputter die met zijn grappen en grollen vergeefs de dames uit het publiek probeerde te verleiden.

Toen ze de laatste tent instapten, zag Merlot even niets, vanuit de felle zon leek het hier binnen aardedonker en ze werd overvallen door een vreselijk lawaai, geschreeuw en gekrijs. Toen haar ogen gewend waren geraakt aan de schaars verlichte ruimte, zag ze dat in het midden ervan een metalen kooi stond met hoge goudkleurige tralies. En in die kooi, op een fluwelen stoel met versleten randen zat een vrouw. Een vrouw met grote oorringen, ontblote borsten, groot als sinaasappelen, een wijde Moorse broek en…een baard.

Merlot voelde hoe haar corset zich als een koude bankschroef om haar ribben klemde, met daar binnenin haar hart, dat nu zo hard samengeknepen werd dat het amper nog kon kloppen. Haar adem stokte in haar keel. Aan de kooi hing een plaquette waarop met schuine letters in rode verf ‘La Femme à la Barbe’ stond gekwast: De Vrouw met de Baard.

Mannen en vrouwen met bezwete voorhoofden en schuim op hun lippen rukten aan de spijlen van haar kooi, ze leken erdoorheen te willen breken om maar dichter bij dat wezen te komen, dat noch man was noch vrouw. Ze leken gedreven door een sterkere macht, zo buiten zinnen als ze waren, alsof ze de vrouw kapot wilden rukken, haar uit pure woede en geile drang wel aan stukken móesten scheuren. Zelfs bij de woedende burgers die bij tijd en wijle met hun koekenpannen en hun stenen tegen hun eigen paleispoort sloegen had ze dit nog nooit gezien.

De vrouw met de baard rookte intussen rustig haar sigaret, ze lurkte met haar volle lippen aan het witstenen pijpje waar de sigaret in was gestoken. Ze leek onaangedaan door het wrede tumult om haar heen. Om haar roodgeverfde lippen krulde zich de aangekondigde baard, la barbe. Hij deed Merlot denken aan het zacht wuivende duingras aan de woeste kust van Normandië. Bruin en ogenschijnlijk aaibaar. Ze draaide zich met een ruk om, begaf zich met gezwinde pas richting de uitgang van de tent,  maar kwam niet door die buitenzinnige meute heen, met hun stinkende lijven hielden ze haar tegen en hoe harder ze zich verzette, des te dichter werd ze naar de kooi toe gedreven. Plotseling stond ze vlak voor de kooi, haar neus raakte nog net de spijlen niet aan.

 

Daar stond ze: oog in oog met de bebaarde vrouw. Die keek haar aan met donkere ogen, waarin de fakkels die aan de tentwanden bevestigd waren, weerspiegelden als minuscule vuurtjes. Merlot voelde hoe haar hart zich wilde bevrijden uit de greep van de bankschroef, straks barstte het nog uit elkaar. Ze wist niet waar ze moest kijken, ze verdroeg deze vurige ogen niet en tenslotte liet ze haar blik naar de grond zakken. Zo stond ze daar, een seconde wellicht, die een eeuwig leven leek te duren, met knikkende knieën en koude handen, biddend dat ze net als de illusionist uit de tent hiernaast door de bodem van aangestampte aarde kon verdwijnen.

Ze voelde dat de vrouw met de baard haar nog steeds bekeek, haar blik gleed als een vers gestookt vuurtje over haar trillende lichaam. Eén voor één liet de vrouw met de zeeroversoorbellen Merlots kledingstukken op de grond smelten, met een gemak alsof niet alles die ochtend door haar kamermeisjes zorgvuldig was aangeregen en dichtgesnoerd: haar donkere mantel zakte naar beneden als een onaangekondigde lawine, haar stugge jasje barstte open als ijs in een smalle sloot en haar zijden blouse stroomde als smeltwater van haar schouders, sleurde ongewild haar onderlijfje mee en tenslotte smolt ook het klemmende corset om haar borst: eindelijk kon ze weer ademhalen. Maar nu stond haar hele lijf in brand: de felle blik van de vrouw braadde haar naakte huid, verschroeide haar witte borsten en ook het borstbeen met de gehate stugzwarte haren vatte vlam.

Ze voelde hoe de ogen langs haar navel, zelfs dóór haar navel heen brandden, toen rustte de blik van vuur een ogenblik in haar schoot, schroeide door haar rok heen langs haar geheime delen, brandde over haar knikkende knieën heen en belandde via haar grove schenen uiteindelijk op haar brede mannenvoeten alwaar het vuur even de grond likte. Heel langzaam werden haar eigen ogen omhoog gezogen, weg van de vlammen, recht in de ogen van deze wonderbaarlijke vrouw en precies op dat ogenblik viel het stil in de tent: het geschreeuw en gejoel verstomde, ook het licht viel stil, flakkerde niet meer, het werd egaal en zacht.  Het was doodstil om hen heen, maar al stonden die mensen nu naar haar naakte lichaam te kijken en zouden ze hun woede nu misschien op haar richten, het kon Merlot niets schelen. Want hun ogen werden één, hun blikken balden zich samen tot één machtige vuurbol, een kort moment maar: twee, drie seconden, langer kon het niet geduurd hebben.

Plotseling zwol het geluid om hen heen weer aan, de mannen knalden met hun cognacflacons tegen de tralies, de vrouwen brulden weer als leeuwen en kinderen gooiden hun venijnige steentjes door de tralies heen recht in het gezicht van de vrouw met de baard, die geen enkele keer met haar ogen knipperde. Haar eigen echtgenoot pakte haar met zijn knokige vingers bij haar bovenarm: ‘Liefje, hoor je me wel? Mais qu’est-ce qui te passe, ça va ma chérie? Je ziet helemaal bleek, hoor je me, chérie?’ Met een iele ruk trok hij haar mee, wrong hen beiden- met het bezorgde bezoek struikelend in hun kielzog- door de menigte heen een weg naar buiten, de donkere tent uit, het licht weer in.

 

Eenmaal terug in de koude vertrekken van het paleis leek het haar alsof dit alles zich in haar hoofd had afgespeeld. Maar op onverwachte momenten voelde ze een hete gloed door haar lichaam trekken, als kooltjes die in een gedoofde haard nagloeien onder de aslaag.

Wanneer de blikken en het gefluister over de schande van hun kinderloze huwelijk aanzwollen, sloot ze haar ogen en stond ze direct weer in die tent, middenin de ogen van die vrouw. Haar konden ze niet deren met hun roddels, zij wist wel beter. Haar echtgenoot zag ze echter bij elke valse opmerking ineen krimpen tot de grootte van een laffe rat, alsof hij gevangen zat in een groot mysterie waarvan hij de sleutel met zijn rattenpootjes keer op keer niet grijpen kon. Soms, als ze alleen thuis was, verbeeldde ze zich dat ze zijn onmachtige nageltjes aan haar gedachten hoorde krabben.

 

Merlot stapt met blote voeten het koude bed in, spreidt haar nachtpruik zorgvuldig uit over het kussen, ze drukt de uiteinden van het harige gevaarte tegen de flanken van haar ongeschoren wangen. Haar kruis gloeit, de herinnering aan de vrouw in de tent heeft haar weer opgewonden. Gelukkig is haar man van preutse huize, hij die voortkomt uit dat geslacht van eeuwig ongelukkigen. Nog nooit heeft hij haar met het licht aan durven bekijken, noch heeft hij haar lichaam ooit met zijn magere handen betast. Alleen zijn halfstijve geslacht gaat ’s nachts in het donkerste donker af en toe stilletjes op verkenning uit en laat zich keer op keer foppen door het glazen buisje, gevuld met warme olie, dat zij tegen haar onbestemde kruis aangedrukt houdt. De olie komt van hun eigen zonnebloemvelden in het zuiden van de Provence. Wie van het personeel zou ooit kunnen vermoeden welk echtelijk doel het buisje met de door hen exact tot lichaamstemperatuur verwarmde olie dient?

Ook vanavond komt zijn onappetijtelijke uitsteeksel over de zijden lakens heen op haar af gekronkeld. Ze had gehoopt dat het hele zaakje gestikt zou zijn in die strakke broek van vandaag, maar ze moet zich er keer op keer bij neerleggen dat haar dromen zelden werkelijkheid worden.

J’aime mon amour, oui oui oui coucou mon chéri en als je je nietsvermoedend omdraait steek ik mijn super verfijnde zilveren dolkje schuin onder je linker schouderblad. Hij schuift het obstakel in het warme buisje, in de warme olie. Ze houdt het glazen geval stevig vast terwijl hij er in en uit sopt. Tenslotte kreunt haar man alsof hij ergens vreselijke pijn heeft, mompelt ‘Bonne nuit, ma Mémé’ en draait zich van haar af, halverwege zijn draai ontstijgt aan zijn droge lippen al een luide snurk. Opgelucht haalt Merlot weer adem en draait zich voorzichtig naar haar rechterzij om het buisje met de twee vloeistoffen behoedzaam in het laatje onder de bedrand te schuiven.  Ze stopt het laken dat hun beider adellijke lichamen bedekt, zorgvuldig onder haar zij en trekt zo een beschermend vlies op tussen haar en haar snurkende man.

Dan legt ze haar hoofd met de pruik terug op het zachte veren kussen en met een glimlach om haar mond omsluit ze met warm geworden handen haar geslacht. Beschermt zo haar geheim tegen de blikken van haar voorouders, die zich ’s nachts schuilhouden in het donker van de nacht. Haar man ronkt door als een mol in winterslaap en hun edele delen rusten ieder aan één kant van het echtelijk bed: zijn penis en de hare of wat ervoor door zou kunnen gaan, haar pracht, haar angst, haar schaamtevolle gedrocht. Ze trekt haar knieën op en valt in slaap. Ze droomt van kinderen die stenen naar haar gooien, hollend en bukkend rent ze door de tuinen met de kale buxushagen die zich als dode lichamen over haar heen buigen.

De volgende ochtend ontwaakt Merlot met een loodzwaar hoofd uit een peilloos diepe slaap.

Ze neemt zich voor om straks een ommetje maken om de nachtmerrie van vannacht van zich af te kunnen schudden. Zittend voor de spiegel, begint ze aan haar dagelijkse ritueel.

‘Ik ben Merlot, ik ben Merlot, ik ben Merlot’, telkens weer hetzelfde riedeltje, poeder kwasten, zich onder haar pruik verbergen. Als ze haar hand routineus uitsteekt naar het harige omhulsel, is het net alsof iemand haar hand bij de pols pakt en tegenhoudt. Ook haar adem stokt in haar keel, haar pols brandt, ze kan zich niet meer bewegen. Zo zit ze één minuut, twee minuten, drie, misschien wel een eeuwigheid en in haar hoofd zwelt het geluid aan van schreeuwende mensen, van metaal op metaal, een oorverdovend lawaai.

Maar middenin die eeuwigheid, in die hel van geluid, is het weer stil, muisstil en alles klaart op. De brand trekt weg uit haar hand, die nog even aarzelend boven de toilettafel zweeft en zich dan in haar schoot ontspant. De pruik blijft onaangeroerd om het stijve poppenkopje krullen.

Ze staat op, haar kale hoofd als een symbool van ’liberté’ boven haar hooggesloten jurk.

 

In de vijver achterin de weelderige ‘jardins du palais’ zwemmen op deze koude ochtend twee zwanen, een witte en een zwarte. Ze bewegen als één, precies tegelijk buigen ze hun sierlijke halzen rechtsom en dan linksom.  Ze doorklieven met hun rode snavels geluidloos het wateroppervlak en zo ontstaan steeds wijder wordende cirkels die tenslotte weer één worden met het donkergroene wateroppervlak. Hun zwemvliezen worden door de waterspiegel uitvergroot tot komische witte mensenvoeten, ze flappen traag door het koude water van de wintervijver. Hun koppen verdwijnen onder water, maar hun lijven blijven drijven. Ze voeren hun baltsduet met stille gratie uit, hun bewegingen vanzelfsprekend, want door de natuur zo geschapen.  ‘Ik ben Merlot en ik ben een werkelijk vrij mens’, fluistert ze hen toe over het water. Ze voelt een hete traan opwellen in haar ooghoek, hij rolt over de rand van haar ooglid, aarzelt even in haar onderste wimperharen en valt dan uiteen in twee warme sporen die over haar wang glijden. De tranen trekken twee parallelle strepen in het dikke witte poeder op haar gezicht, terwijl de zwanen traag hun danspassen vervolgen.

 

 

FIN

Comments are closed.

Recente berichten